Tagarchief: Grafmonument Brunings en Conrad

Toespraak bij de presentatie Bavodeel Grafmonument Brunings & Conrad

Toespraak door Willem R. de Jong ter gelegenheid van de presentatie van het Bavodeel over het grafmonument van Christiaan Brunings en Frederik Willem Conrad in de Grote of St.-Bavokerk op 12 december 2015.

Het is al weer ruim een jaar geleden dat hier op deze plek aandacht werd besteed aan de restauratie en terugplaatsing van het grafmonument voor Christiaan Brunings en Frederik Willem Conrad. Vorig jaar, 22 augustus 2014, vertelde Theo van de Gazelle, plaatsvervangend directeur-generaal van Rijkswaterstaat al het één en ander over de verdiensten van vooral Christiaan Brunings, grondlegger van wat thans Rijkswaterstaat heet, voor de waterbeheersing in Nederland. En ik mocht toen wat vertellen over de geschiedenis van het grafmonument van deze twee befaamde waterbouwkundigen. Ik heb toen o.a. duidelijk proberen te maken dat het eigenlijk om twee gedenktekens gaat, het ene – de urn bovenop het monument voor Brunings en het andere, een grafmonument voor Conrad met een bijzonder fraai basreliëf waarop de uitwateringssluizen in Katwijk worden uitgebeeld. Mijn verhaal van toen keert uiteraard terug in deeltje 13 van de Bavoreeks zoals dat thans wordt gepresenteerd. Vandaag wil ik enkele ander accenten leggen.
De relatie tussen Christiaan Brunings en Frederik Willem Conrad en hun werk ten behoeve van het hoogheemraadschap Rijnland kwamen indertijd wat minder goed uit de verf. Maar we staan hier wel bij een grafmonument waar beiden zijn begraven. En wat aan dit monument het meest de aandacht trekt betreft een groot waterbouwkundig project van Rijnland.

Christiaan Brunings was ten tijde van zijn overlijden in 1805 niet alleen “Directeur-Generaal der Rivier- en Zeewerken der Bataafsche Republiek”, maar ook “Generaal Opziener” van het Hoogheemraadschap Rijnland. Zijn protegé en leerling Frederik Willem Conrad volgde hem na zijn dood direct in de laatste functie op. Een kleine twee jaar later werd Conrad ook benoemd in de nieuw ingestelde functie van “Inspecteur-Generaal van de Waterstaat van het Koninkrijk Holland”. Maar op 6 februari 1808 overlijdt Conrad aan de gevolgen van roodvonk. Hij werd slechts 38 jaar oud en overleed nog geen drie jaar na Brunings. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat Van de Gazelle over Conrads eigen bijdrage aan de Nederlandse waterstaat niet zo veel te melden had.

Kort geleden was hier in deze kerk de tentoonstelling “Zullen we vrienden worden” ter gelegenheid van het veertig jarig bestaan van de Vereniging Vrienden van de Grote of St.-Bavokerk. Op die tentoonstelling werd ook aandacht gevraagd voor de restauratie van het monument van Brunings en Conrad. Daar viel o.a. te lezen:

Brunings had een pupil, in de persoon van de in 1770 geboren Willem Frederik Conrad. Hun relatie had veel weg van die van een vader en zoon. Conrad ging in 1797 zelfs met zijn gezin bij Brunings inwonen in Spaarndam.

Bij de mededeling dat Brunings was als een vader voor Conrad heb ik niets op te merken. Het verhaal dat Conrad met zijn gezin bij Brunings zou hebben ingewoond heb ik vaker gelezen. Maar het is wel een sprookje. Om dit duidelijk te maken ga ik even terug naar de periode waarin Brunings bij Rijnland in dienst kwam.

Christiaan Brunings leerde de wereld van de waterstaat kennen via Jan Noppen, “toeziener” van het Hoogheemraadschap Rijnland te Spaarndam. Noppen onderwees hem o.a. in sterrenkunde, meteorologie en waterbouwkunde. Noppen overleed in november 1764 en Brunings solliciteerde met succes op de ontstane vacature. Ik citeer:

In het volgende jaar 1765, op den 25sten Mei, en dus in het 29ste zijnes ouderdoms, werd hij in deszelfs plaats aangesteld als Toeziener van het hoogheemraadschap van Rijnland, in het kwartier van Spaarndam, en vervolgens bij verwisseling, met den heer Jan Engelman, die destijds in diezelfde hoedanigheid op halfwege Haarlem geplaatst was, op den 2den Julij van datzelfde jaar, als Toeziener op den Spaarndamschen dijk en de sluizen bij den huize Zwanenburg, op welk gemeene-landshuis van Rijnland hij dan ook vervolgens, tot aan zijnen dood, en dus omtrent 40 jaren, zijn verblijf gehad heeft.

Deze woorden komen uit een Prijsverhandeling, betreffende het leven en de verdiensten van Christiaan Brunings van de hand van niemand minder dan zijn leerling en opvolger Conrad. Kortom, naar het mij dunkt, een tamelijk onverdachte bron. Kennelijk is Brunings al heel kort na zijn aanstelling als toeziener van Rijnland te Spaarndam verhuisd naar het gemeenlandshuis in Halfweg, Huize Zwanenburg.
Frederik Willem Conrad werd in 1769 in Delft geboren. Hij werd op jonge leeftijd wees en werd opgeleid tot ingenieur van de genie. In 1787 werd Conrad, toen nog slechts achttien jaar oud, benoemd tot adjunct-landmeter in Holland. Hierdoor kwam hij in contact met Brunings en werd al snel diens assistent. In 1796 werd Conrad onder Brunings, die hem inmiddels als zijn rechterhand beschouwde, aangesteld als adjunct-generaal opziener van Rijnland. Hij betrok toen het gemeenlandshuis te Spaarndam, de dienstwoning waar Brunings zo’n dertig jaar daarvoor slechts een paar maanden had gewoond.

Maar ik stap met zevenmijlslaarzen over naar het laatste project van Rijnland in de voorbereiding waarvan Brunings en Conrad betrokken waren. Dit is de uitwatering bij Katwijk. Brunings was aanvankelijk van mening geweest dat de uitwateringsproblemen van Rijnland zouden kunnen worden opgelost door en extra spuisluis bij Halfweg, maar van deze extra sluis is het nooit gekomen. Ook plannen om de Haarlemmermeer in te polderen werden toentertijd als technisch nog te riskant beschouwd. Een andere optie was de aanleg van een uitwatering naar zee bij Katwijk. Maar het duurde wel even tot daartoe besloten werd. Conrad was voorstander van dit project. Brunings overleed kort na het begin van de werkzaamheden, die onder leiding stonden van Conrad.

En hiermede kom ik weer terug op het grafmonument van Brunings en Conrad. Meer in het bijzonder, het basreliëf:

Relief BenC IMG_015956 zw

Afb. 1 – Basreliëf van Jozef Geefs op het grafmonument voor Frederik Willem Conrad.

 Tijdens de al gememoreerde tentoonstelling “Zullen we vrienden worden” viel over dit reliëf te lezen:

Rechts staat Poseidon [Neptunus] afgebeeld, de god van de zee en beschermer van de wateren. Hij vaart op de golven van de Noordzee in een bootje dat wordt voortgetrokken door twee zeepaarden en wordt vergezeld door zijn zoon Triton, een meerman. Links op het reliëf rust Demeter, de godin van de landbouw, met haar rechterarm op een kruik, waaruit het water van de Rijn stroomt. In haar linkerhand houdt zij de hoorn des overvloeds …

Wel, dit is wat mij betreft een prima beschrijving. Maar ik zou er nog wat aan willen toevoegen. Ik denk namelijk dat ik de eerste ben die de vrouwenfiguur links op het reliëf heb aangeduid als de godin Demeter. Wolff sprak heel lang geleden rijkelijk vaag van “een vrouwenbeeld, voorstellenden den verbeterden landbouw van Rijnland”. En daar was ook wel aanleiding toe. Demeter is de godin van de landbouw, maar breder ook moeder aarde en godin van de vruchtbaarheid. Ze wordt gewoonlijk staande afgebeeld als een wat moederlijk figuur met in haar hand een bosje tarwearen of soms ook de hoorn des overvloeds. Bij mijn weten nooit als een jonge vrouw zittend met een stroomkruik onder haar arm. Ik heb indertijd proberen te achterhalen waar deze afbeelding aan was ontleend; evenwel niets gevonden.

Maar een paar maanden geleden, toen ik mijn manuscript eigenlijk al had afgesloten, attendeerde Jean Laurey me op een medaille uitgereikt aan de genodigden bij de ingebruikname van de uitwatering te Katwijk:

Bronzen herinneringsmedaille

Afb. 2 – Bronzen herinneringsmedaille ingebruikstelling van de uitwatering te
Katwijk in 1807 (Historische Collectie Hoogheemraadschap Rijnland).

De voorzijde van de medaille toont een zittende stroomgod met onder zijn rechterhand een kruik waaruit rivierwater stroomt en in zijn linkerhand de hoorn des overvloeds. Deze stroomgod verbeeldt de Rijn. Daarnaast verschijnt ook Neptunus vergezeld door Triton. Het geheel symboliseert zoals het randschrift zegt het herstel van de oude monding van de Rijn. De achterkant van de medaille toont de toenmalige buitensluis.
Beeldhouwer Jozef Geefs heeft in het basreliëf voor het grafmonument de afbeeldingen op voor- en achterkant van de medaille samengenomen. Maar tegelijkertijd is de zittende stroomgod met stroomkruik en hoorn des overvloeds vervangen door een lieflijk neergevlijde Demeter, godin van de landbouw voorzien van dezelfde attributen.
Deze vervanging valt goed te begrijpen. Immers, de Oude Rijn werd al in 1122 bij Wijk bij Duurstede van de Rijn afgedamd. M.a.w. de Rijn die via de uitwateringssluizen van Katwijk opnieuw verbonden werd met de Noordzee was al heel lang niet meer vadertje Rijn. Afwateringskanaal en sluizen dienden enkel en alleen de uitwatering van Rijnland. Het hoogheemraadschap nam de kosten voor de aanleg dan ook volledig voor zijn rekening. Demeter, de godin van de landbouw, staat voor Rijnland en zijn toegenomen vruchtbaarheid als gevolg van de verbeterde uitwatering.

Tot slot nog één opmerking. Frederik Willem Conrad overleed zeer vroegtijdig, kort nadat hij was aangesteld als hoofdopziener van Rijnland en directeur-generaal van de Nederlandse Waterstaat. Dit maakt, misschien mede doordat hij heel lang onder Brunings met hem heeft samengewerkt, dat hij altijd in de schaduw van Brunings zal blijven staan. In rekening brengende de verdiensten van beide waterbouwkundigen is het naderhand toegevoegde gedenkteken voor Conrad, naar mijn bescheiden mening, toch wel wat erg groots uitgevallen vergeleken met dat voor Christiaan Brunings. Maar dit komt geheel voor rekening van Frederik Willem Conrad jr., jongste zoon en naamgenoot van Frederik Willem Conrad.

Hier wou ik het voor dit moment maar bij laten. Voor de rest van het verhaal verwijs ik u naar het boekje.

Deze toespraak is ook als pdf document beschikbaar: 

 

Print dit artikel Print dit artikel

Restauratie grafmonument Brunings en Conrad

Op 18 november 2013 is de restauratie van het marmeren gedenkteken bij het graf van Brunings en Conrad van start gegaan.

Restauratie graf Brunings en Conrad
De restauratie wordt mede mogelijk gemaakt door giften van Rijkswaterstaat, het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Prins Bernard Cultuurfonds.

Christiaan Brunings was de grondlegger van Rijkswaterstaat. Toen hij in 1805 overleed werd hij opgevolgd door zijn vriend en toeverlaat Frederik Willem Conrad. Conrad overleefde zijn leermeester slechts drie jaar en overleed nog geen veertig jaar oud in 1808. Hij werd begraven in het graf van Brunings.

Het graf van Brunings en Conrad in de Grote of St.-Bavokerk te Haarlem

De Grote Kerk in Haarlem telt vele graven, de hele vloer bestaat nog uit de originele grafzerken. Menig bekende Nederlander ligt er begraven met als bekendste de schilder Frans Hals. Toch hebben zij allen slechts een platte zerk, meer of minder gegraveerd met tekst en symboliek. Er één praalgraf in de kerk aanwezig, bijna in het centrum van de kerk. Het graf is streng in zijn eenvoud, maar getuigt toch van een onmiskenbare voornaamheid. Omgeven door een hoog gesmeed hekwerk staat een forse marmeren tombe met aan de voorzijde een fronton met daarin gebeeldhouwd een onmiskenbaar sluizencomplex. Bij nalezing van de moeilijk te ontcijferen tekst blijken hier twee mannen begraven te zijn, de heren Brunings en Conrad.

Brunings en Conrad, nog nooit over gelezen in de geschiedenisboeken. Dankzij hun vermelde geboorte en overlijdensdata is met gebruikmaking van Wikipedia deze lacune snel in te vullen. Eerst Christiaan Brunings, in 1736 geboren te Neckerau in Duitsland. Nota bene als werknemer in een azijnmakerij komt hij in Nederland aan het werk en maakt dan kennis met Jan Noppen, opzichter van het Hoogheemraadschap Rijnland. En door deze toevallige ontmoeting wordt de basis gelegd voor wat wij kennen als Rijkswaterstaat.

Christiaan blijkt onder de hoede van Noppen een zeer goede leerling te zijn met technische en wiskundige aanleg. De twee kunnen goed opschieten met elkaar en Chistiaan wordt een nauwe medewerker van Noppen. Bij diens dood in 1765 wordt hij zijn opvolger bij Rijnland met de verantwoordelijkheid voor de Spaarndammerdijk, op dat moment de zwakste en meest cruciale schakel in de verdediging van het Hoogheemraadschap Rijnland tegen het zeewater. Vooral bij Halfweg was de zoete Haarlemmermeer het zoute IJ dicht genaderd en een doorbraak vormde hier een groot risico. En passant vond hij ook nog stroomsnelheidsmeter uit, de tachograaf, een instrument dat voor de beheersingsberekeningen van rivierwater van groot belang bleek.

De kwaliteiten van Brunings als creatief waterbouwkundig denker en als bemiddelaar werden snel door zijn superieuren onderkend, en in 1769 werd hij al benoemd tot Inspecteur Generaal van ’s Lands Rivieren, een bijzondere post omdat hij hiermee invloed kreeg in de waterhuishouding in heel Nederland en intermediair was bij de diverse Hoogheemraadschappen en gewesten. In die tijd vormden naast de zorg voor de kustverdediging tegen het zoute water vooral de ongecontroleerde watertoevoer en de zwakke dijken van de grote rivieren een probleem, een probleem dat herhaaldelijk voor grote overstromingen zorgde in de bovenlopen van die rivieren in Nederland.

In zijn functie als Inspecteur Generaal kwamen naast zijn waterbouwkundige kwaliteiten zijn onderhandeling bekwaamheid goed van pas, tussen deze regionale waterschappen en de gewesten bestonden tegenstrijdige belangen en dit was nog sterker bij internationale contacten met bijvoorbeeld Duitsland. Toch slaagde hij er in om in 1771, nadat daar al 20 jaar over onderhandeld was, een verdrag te sluiten over de Rijnwaterverdeling, een verdrag tussen de Pruisische koning en de gewesten Gelderland en Holland, het eerste internationale waterverdrag. Daarbij werd de verdeling van het Rijnwater over de rivieren de Waal, de Nederrijn en de IJssel geregeld.

Hij gaf zowel leiding aan de nodige waterbouwkundige werken om deze verdeling tot stand te brengen als aan een betere afstemming van de sterkte en hoogte van de diverse dijken. Voor Rijnland hield hij zich bezig met de al lang voortslepende kwestie van een waterafvoer in zee van de Oude Rijn. Deze was al eeuwen dicht geslibd en eerdere technische pogingen waren gefaald. Echter vooral ook de voortdurende tweespalt tussen de grote steden van Rijnland, Haarlem en Leiden, had een obstakel gevormd en pas met de vorming van de Bataafsche was de tijd rijp voor de aanpak van dit probleem. Brunings gaf de aanzet tot het ontwerp en de uitvoering van het Katwijkse afwateringskanaal en de daarbij behorende sluizen, een werk dat tenslotte zou worden afgerond door zijn pupil Conrad, waarover hierna meer. Reden waarom dit bijzondere waterbouwkundige hoogstandje prominent op hun beider graf in de Bavo staat afgebeeld.

Net als hij ooit de Rijnlandse opzichter Noppen als leermeester had gehad, kreeg hij een pupil in de persoon van de in 1770 geboren Frederik Willem Conrad. Deze kwam zelfs met zijn gezin in 1797 bij Brunings inwonen in het door hem bewoonde Gemeenlandshuis van Rijnland in Spaarndam. Deze Frederik Willem maakte een snelle carrière bij Waterstaat, waar hij na Brunings tenslotte Inspecteur Generaal werd.

In 1798 werd Brunings, nadat hij aangetoond had hoe belangrijk een centrale aansturing van de Nederlandse waterhuishouding was, benoemd tot hoofd van het Bureau voor Waterstaat, de voorloper van Rijkswaterstaat. In 1800, in de Bataafsche Republiek werd hij Inspecteur Generaal van de Waterstaat der Bataafsche Republiek om tenslotte in 1803 Directeur van ‘sLands Rivier en Zeewerken te worden.

Brunings overleed in 1805 in Den Haag twee jaar voordat de uitwateringssluis werd opgeleverd. Hij werd tenslotte in de Grote Kerk begraven, waar hij drie jaar later verenigd zou worden met zijn pupil, de Inspecteur Generaal voor de Waterstaat Willem Frederik Conrad, die in 1808 totaal onverwacht overleed. Uit respect voor hun buitengewone verdiensten voor de beheersing van de Nederlandse waterhuishouding werd een grafmonument opgericht, waaraan Rijkswaterstaat en Rijnland bijdroegen.

Hun beider naam leefde ook op een andere wijze voort. Die van Bruning in de beroemde stoomijsbreker en directievaartuig van Rijkswaterstaat de ss Christiaan Brunings, sinds 1968 opgenomen in de collectie van het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. Op internet zijn juist van dit schip nog honderden foto’s te vinden. Conrad’s zoon werd spoorwegpionier, maar ook waterbouwkundige. Na 16 jaar voor de Hollandse IJzeren Spoorweg Maatschappij spoorbruggen te hebben ontworpen, kwam hij in 1858 weer in dienst bij hoe kan het ook anders Rijkswaterstaat en was al in 1849 één van de oprichters van het KIVI (Koninklijk Instituut Van Ingenieurs). De familie Conrad zou in de Nederlandse metaalnijverheid een belangrijke rol gaan spelen.

Terug naar het graf van de beide waterbouwkundigen. Juist water vormt momenteel een grote bedreiging voor het graf. Water in combinatie met zout. In de kolom, waar het graf tegen aangebouwd is, vindt voortdurend een vochttransport plaats vanuit de fundering naar de oppervlakte van de kolom. Met dat transport wordt zout meegenomen, dat tenslotte uitbloeit in kristallen in het zandsteen van de kolom, maar ook in het marmer van het graf. Omdat marmer een open kristalstructuur heeft, ontstaat in dit materiaal snel schade door de zout uitbloei, het marmer lost op. Dat heeft tot zichtbaar gevolg nu, dat op vele plaatsten stukken afschilveren, marmer bruin verkleurd en de teksten en afbeeldingen langzaam onleesbaar worden en hele platen vergaan. Op lange termijn zou dit verval betekenen dat de marmerplaten vervallen tot gruis en alleen de gemetselde onderliggende tombe overblijft.

Om het niet zo ver te laten komen is in overleg met deskundigen een plan opgesteld om de marmeren beplating van het graf te redden. Dat zal gebeuren door het graf af te sluiten van de vochttoevoer uit de kolom, waarbij tevens voor ventilatie van het metselwerk van het graf wordt gezorgd, zodat dit aan de lucht kan drogen. Daarmee wordt het vocht en zouttransport gestopt. Vervolgens zullen de marmeren platen worden geconserveerd en hersteld en zullen de teksten en afbeeldingen weer worden opgewerkt.

Deze restauratie zal minimaal € 45.000 gaan kosten. De Vrienden van de Grote Kerk hebben zich bereid verklaard € 15.000 aan deze operatie bij te dragen. Deze vereniging met bijna 1600 leden ondersteunt al decennia bijzondere restauratiewerken in de Grote Kerk. De vereniging heeft haar eigen website en werkt samen met de kerkrentmeesters bij de instandhouding van de Grote of St.-Bavokerk, een van de Nederlandse topmonumenten.

Blijft dus nog te financieren een bedrag van € 30.000. Monumentenzorg geeft tegenwoordig alleen nog subsidie (en steeds minder) voor het uitwendige onderhoud van deze monumentale kerk. Mede daarom zijn we sterker aangewezen op subsidiebronnen van derden. Reden om voor deze hoogst noodzakelijke restauratie van het graf van deze fameuze waterbouwkundigen in eerste instantie een beroep te doen op de oorspronkelijke stichters en beneficianten van het graf, Rijkswaterstaat en Rijnland.

Print dit artikel Print dit artikel